

Inleiding
Mijn boek heeft ruime aandacht gekregen in kranten en tijdschriften, maar ook op TV en radio. Ik heb daarop veel reacties gekregen van nabestaanden [ familie- en gezinsleden], overlevenden, hulpverleners, collega’s en belangstellenden. Het zijn vaak schrijnende verhalen van personen die, ook nu nog, de zware last met zich meedragen van deze trieste gebeurtenis. Veel mensen schreven mij dat hun familieleden, na de identificatie, de rest van hun leven niet meer over hun omgekomen vader, moeder of kind wilden praten. Anders dan tegenwoordig was er toen geen enkele vorm van hulp bij rouwverwerking voor de nabestaanden. De ramp speelde zich af, vlak na de oorlog, een tijd waarin iedereen zei “niet zeuren maar doorgaan”. Overlevenden hebben ter plekke veel gehoord en gezien. Sommigen waren nog erg jong en werden jarenlang achtervolgd door de beelden. Bij enkelen kwamen die beelden, tot hun schrik, 20 jaar later weer naar boven. Mensen durfden dat dan niet te zeggen en stopten hun verdriet weg. Op het moment dat je er wel over wil praten zegt iedereen “Heb je daar nu nog last van? Het is al zo lang geleden”.
Dan durf je niets meer te zeggen! Een ander heeft 40 jaar met problemen rondgelopen, totdat een psycholoog zei dat hij zijn ervaringen uit 1962 eens op papier moest zetten. Dat hielp. Familieleden van overlevenden en hulpverleners zagen hun familielid thuiskomen. Een beeld dat ze nooit meer konden vergeten. Hulpverleners die gedurende weken niet aanspreekbaar waren en nu, naarmate ze ouder worden, steeds emotioneler worden als men over de ramp praat.
Hieronder een letterlijke bloemlezing van de vele, maar ook zeer verschillende, reacties:
‘Op 8 januari 1962 zat ik in klas 2 van het Stanislascollege te Delft vergeefs te wachten op mijn leraar Engels. Hij bleek in de ramptrein te hebben gezeten. Als ik me goed herinner, heette hij Roes. De ramp heeft diepe indruk op mij gemaakt.’
‘Het boek vandaag in goede orde ontvangen .......en in één keer uitgelezen. Een waardevol monument! Omdat ik ook uit een Rooms Katholiek (maar niet meer praktiserend) nest kom en in de jaren vijftig en zestig (ik ben van 10 december 1946) trof ik ontroerende passages aan. Ook de sfeerbeelden m.b.t. De huisvesting in die na-oorlogse - jaren zijn zeer herkenbaar voor mij. Maar vooral de gebeurtenissen in de week na de ramp zijn goed invoelbaar.’
‘Vind het interessant om jouw “roots”, met veel details en fotografisch bewijsmateriaal te lezen. De impact van het ongeluk op de familie vind ik aangrijpend beschreven.’
‘Ik ben erg blij met het boekje. Mijn opa was de kraanwagenmachinist en heeft geholpen met de wrak stukken uit elkaar te halen. Hij leeft niet meer, dus dan is het wel heel bijzonder.’
‘Op 8 januari 1962 nam Steef Roes de trein om zijn vriend Nico de B..... en diens gezin in Rotterdam te bezoeken. Hij zou eigenlijk de volgende trein nemen, maar omdat hij wat vroeger was dan gepland........... De gebeurtenis van de 8e januari heeft ook op ons gezin veel impact gehad en is mij altijd bij gebleven.’
‘Bij de ramp kwam mijn peetoom F. Giezenaar uit Rotterdam om het leven die op weg was naar een beurs in Utrecht. Dit deed hij vaker maar hij miste zijn normale trein......... Ik (toen bijna 8) hoor het mijn moeder nog vertellen... Mijn vader heeft hem geïdentificeerd in de Janskerk in Utrecht waar ze lagen opgebaard. Ik kom al jaren er bijna elke dag langs in de trein op weg naar Den Haag. En ik moet er vaak aan denken. Zijn zoon (toen een jaar of 13 en vorig jaar overleden) heeft de rest van zijn leven nooit meer over zijn vader willen praten. Zijn vrouw, mijn peettante en recent op bijna 91-jarige leeftijd overleden, is nooit hertrouwd en had het wel heel vaak over hem. Kortom, de ramp kwam in onze familie toch dikwijls langs.......’
‘Ik heb met verbazing Uw boek gelezen wat betreft de gelijkenissen met mijn situatie. Om te beginnen, mijn broer was toen 18, ikzelf was 15 en mijn zus was 14 jaar, net als bij U, mijn moeder was net als Uw vader ook 41 jaar. Mijn broer ging toen met mijn Opa naar Utrecht om onze moeder te identificeren, wat hem ook werd ontraden. Onze moeder is ook geïdentificeerd aan de hand van kleding en sieraden. Tijdens het gebeuren woonden wij in Spangen, dus ben ik veel bekende straatnamen tegengekomen. Ik dank u hartelijk voor het schrijven van dit boek.’
‘Op die bewuste dag was ik op weg van Workum naar Wolvega waar ik intern naar de LTS ging. In Joure kreeg ik een vreemd gevoel. Ik kon niet verklaren wat het was, maar er was iets. In de bus was het ook ineens stiller dan gewoonlijk. Later die dag vertelde een seinhuiswachter in Wolvega mij van wat er gebeurd was. Het ongeluk was gebeurd op hetzelfde tijdstip van dat onverklaarbare gevoel in de bus in Joure.’
‘Ik ben de zoon van oud machinist W.B. Mijn vader (inmiddels 85 jaar en nog redelijk gezond) heeft mij gevraagd dit boek voor hem te bestellen. Pieter Fictoor en mijn vader (Standplaats Rtd) hebben elkaar destijds goed gekend als collega’s. Naar zijn zeggen zou hij deze dienst gereden hebben als hij die dag niet ziek geworden was. Ik kan dat natuurlijk niet meer nagaan, maar misschien weet u wel of Pieter dan als reservemachinist deze rit reed. Als dat zo is, dan had ik zeer waarschijnlijk geen vader meer gehad! Hoe het ook zij, voor hem heeft dit spoorwegongeval nog steeds een speciale herinnering.’
W.B. belde mij later op en vertelde het volgende:
‘Hij ziet mijn vader, lopend op het perron met een sigaret in een pijpje, zwart mondstuk met goudkleurig pijpje. Ze konden het goed met elkaar vinden en hebben zo’n negen jaar regelmatig met elkaar gesproken en gewerkt. Samen op de stoom, de diesel en de elektrische trein.’
‘Met veel bewondering heb ik uw boekje gelezen. Als spoorman raakt het je toch wat er allemaal is opgeschreven omdat ik weet dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Uw boekje geeft een goed beeld van de gevolgen voor alle partijen. Het boekje zorgt ervoor dat Harmelen niet verdwijnt in de geschiedenis, maar een blijvende herinnering is geworden. Bedankt.’
‘Mijn vader zat ook in deze trein en heeft deze overleefd. Hij kan er nog steeds niet over praten, heeft ook nooit hulp en begeleiding gehad.’
Vervolg:
‘Mijn vader zat voor zijn werk in de trein. Mijn vader heeft vlak na de ramp proberen te helpen, met mensen en kinderen gesjouwd, heeft uiteindelijk daarna uren met een kop koffie in de restauratie gezeten. Op een gegeven moment heeft iemand hem gewoon in de trein gezet, hup je moet erin, je moet naar huis. Dat was alles (wij woonden toen in Enschede). Ik vergeet nooit het beeld van mijn vader toen hij thuis kwam (ik was toen bijna 5 jaar en verder weet ik n iets uit die tijd). Nu hij ouder is, wordt hij steeds emotioneler als we het over de ramp proberen te hebben. Dat wordt steeds erger. Hij weet sinds kort dat hij asbestkanker heeft en hij is al behoorlijk ziek. Hij zal helaas het monument niet meer meemaken, maar ik heb hem wel verteld dat dit er komt. “Het zal tijd worden” zei hij alleen. Misschien helpt het boekje voor hem, ik weet het niet. Ik weet niet of er overlevenden zijn die elkaar spreken, kan dat niet goed vinden op internet. In ieder geval heel erg bedankt voor de uitgebreide reactie. De filmpjes heb ik bekeken, zeer indrukwekkend, voor mij ook voor het eerst de beelden van de ramp, ook de foto’s. Ik denk dat veel mensen u dankbaar zullen zijn voor het boek dat u geschreven heeft.’
Vervolg:
‘Het boek heb ik ontvangen en aan mijn vader gegeven. Hij werd zeer geëmotioneerd, maar zei erg blij te zijn met het boek. Mijn moeder dacht dat het misschien kon helpen als hij het zou lezen. Af en toe leest hij kleine stukjes. Hij wil dat graag doen als hij alleen is. Ik heb hem verteld dat wij naar de herdenking en het monument zullen gaan als hij er niet meer is. Mijn vader was erg blij verrast toen ik hem vertelde dat hij gerust contact met je op kon nemen. Ik denk niet dat hij het doet, maar het idee is voor hem al erg fijn. Nogmaals bedankt.’
‘Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw boek, dank voor uw snelle verzending! Ook mijn directe familie (moeder en broer) heeft er al aandachtig in gekeken, toen zij gisteren bij mij waren. Het tijdsbeeld, de sfeer, de ontreddering, de persoonlijke aspecten e.d. die u schetst zijn i.h.a. zeer herkenbaar. Overigens is bij de ramp niet alleen mijn vader omgekomen (A. Boelen), maar ook een oom (dhr. H. Bouwmans uit Zundert, 12 km. van Breda), de jongste broer van mijn moeder. Hij reisde samen met mijn vader vanuit Breda=Rotterdam verder met trein 464 naar A’dam. Zoals in een aantal andere families had dus ook onze familie een dubbel verlies te verwerken. Tenslotte wens ik u, mede namens mijn familie, nog veel succes (al is dat wellicht niet geheel goede woord) met uw boek en aandacht voor uw boek. U heeft hiermee een mijlpaal gezet.’
‘Ik ben u zeer dankbaar dat u een boek over “Harmelen” heeft geschreven, aan zo’n boek ontbrak het tot nu toe. Ook dat helpt weer om de ramp, het verlies van dierbaren en het verdriet een plek te geven, want slijten doet het nooit. Ik zelf ben de zoon van de heer A. Boelen, destijds wonend in Amsterdam, die ook is omgekomen en mijn moeder en twee kinderen naliet. Het is in deze tijd nauwelijks meer voor te stellen hoe er in die tijd werd omgegaan met nabestaanden, zoals o.a. het kille en totaal afstandelijke optreden van NS. Het geschiedenis van het ontbreken van een monument of een gedenkteken heeft u ongetwijfeld ook gevolgd. Tot en met de plaatsing van algemeen monument ter nagedachtenis van alle spoorwegslachtoffers bij de NS hoofdgebouwen in Utrecht, hetgeen voor ons (en ook voor u, las ik) niet erg bevredigend was. Ik heb in 2002, 40 jaar na de ramp, de hele treinreis van mijn vader destijds (vanuit Breda - Rotterdam, met Amsterdam als nooit bereikte eindbestemming) nogmaals gedaan en voor hem afgerond, omdat hij dat zelf nooit heeft kunnen doen. Ik heb in Woerden toen de reis onderbroken en ben met een gehuurde stationsfiets de rampplek bij Harmelen gaan bezoeken. Er is inderdaad weinig meer van destijds te herkennen, afgaande op de foto’s van oude krantenknipsels die mijn moeder heeft bewaard, maar het blijft emotioneel en de afwezigheid van een plaatselijk monument deed zich pijnlijk voelen. Nogmaals dank voor uw initiatief en uw inspanningen om dit boek tot stand te brengen.’
‘Op de dag van de ramp was ik op 200 m afstand aan het horen (boekjes ophalen) ik werkte bij mijn ouders in de kruidenierszaak. De hele ochtend heb ik geholpen bij de verongelukte treinen, het was zeer triest, gelukkig heb ik er geen slapeloze nachten van over gehouden. Van NS heb ik een boek Het Stalen Paard gekregen. (nb. De juiste titel is Het IJzeren Paard) Ik zal tijdens de eerste vergadering van onze Projectgroep voorstellen dat we ons best doen voor een monument ter plaatse van de treinramp, mogelijk kunnen we iets samen met anderen doen, ik hoor graag van u !’
‘Ik ben de zoon van Jan Boon die destijds conducteur was op de trein uit Leeuwarden. Door een wonderlijke samenloop van omstandigheden heeft hij met weinig lichamelijke gevolgen de ramp overleefd. Wat hij heeft meegemaakt heeft nogal wat psychische gevolgen voor hem gehad, maar hij heeft het nu verwerkt. Mijn vader werd op 7 (!) januari 1962 40 jaar en is dus nu 86 jaar. De leeftijd die in de krant stond was verzonnen! Mij vader heeft zich altijd afgeschermd van de pers en heeft ook nooit een interview gegeven. Ter aanvulling:
Op Utrecht c.s. Ontmoette mijn vader destijds een collega die geen dienst meer had, maar naar huis ging. Deze collega bood aan om even te helpen met de kaartcontrole en stapte voor in de trein. Mijn vader begon achter in en zo zouden ze naar elkaar toewerken en elkaar ergens halverwege de trein weer ontmoeten. Dat is echter nooit gebeurd................’
‘In een televisie uitzending hoorde ik laatst voor het eerst overigens dat er in 1962 een treinramp in Harmelen is geweest, ik ben van 1957. Dit vertelde ik tegen mijn man, en die wist er alles van, hij was de eigenaar en chauffeur van de kraanwagen die daar destijds mee heeft helpen opruimen. Mijn man is van 1936 en ik zag inderdaad de kraanwagen op de foto staan. Ik heb het boek aan mijn man gegeven.
Hij was erg verrast en herkende meteen zijn kraan op de foto, hij werd er zelf emotioneel van, al die mensen en dat gekerm, hij hoorde het opnieuw zei hij.’
‘Vanmiddag ontving ik ‘Oud Utrecht’. Onder signalement viel mij direct uw boek op. Ik wil dat heel graag bestellen omdat ik van mening ben dat dit vreselijke ongeluk een dergelijke ‘afsluiting’ verdient. Ik was tien jaar in januari 1962 en kan mij heel goed de gebeurtenissen bij Harmelen aansluiting herinneren. Bovendien ben ik al dertig jaar treinforens tussen Utrecht en Den Haag en heb dus het betrokken baanvak vele malen gepasseerd.’
‘Ik woonde destijds in Woerden boven het station, mijn vader was stationschef bij de NS. Ik herinner mij dat er die morgen ambulances af en aan reden, het was de eerste schooldag na de vakantie. Mijn vader is toen direct naar de plaats van het ongeval gegaan en ik zag hem pas na 2 dagen weer. Het geeft hem volgens mij wel wat gedaan en is op verzoek overgeplaatst naar Winterswijk waar hij ook stationschef is geweest.’
‘Mijn ook Klaas Streuer is daar ook bij omgekomen. Mijn moeder nu 85 jaar oud praat er nog vaak over. Mijn moeder was toen zwanger van mijn jongste broer die is dan ook naar hem vernoemd.’
‘Gisteravond heb ik het boek opnieuw gelezen en ik heb nu een heel goed beeld wat jij als directe familie mee hebt moeten maken. Zelf heb ik de treinramp niet bewust beleefd (ik was tien 2 jaar) maar vanwege mijn interesse in de spoorwegen heb ik er in de loop der tijd veel over gelezen. Dat ging altijd over de toedracht en het onderzoek maar de menselijke aspecten komen niet of nauwelijks aan bod. Jouw boek heeft juist dat laatste goed in beeld gebracht. Toen ik het boek gisteren weer heb gelezen herinnerde ik mij een bericht in de krant van de nodige jaren geleden toen de fly-over bij Harmelen aansluiting officieel werd geopend. Er was toen sprake van dat er mogelijk een monument of gedenkteken als herinnering aan de treinramp zou komen. Maar de gemeente Harmelen voelde er niet veel voor, met het argument “we willen het liever vergeten”ging het allemaal niet door. Uit je boek blijkt overduidelijk dat het ook jou steekt dat er geen monument is voor “Harmelen”. Wie schetst dan ook mijn verbazing toen ik deze avond in het AD las dat er nu toch een monument gaat komen en het initiatief komt van de gemeente, niet van NS. Dat ik een dag eerder het boek weer gelezen had is puur toeval. Zodra mijn vader goed “gesetteld” is in zijn nieuwe huis zal ik hem het boekje laten lezen. Toen ik hen vertelde dat ik het had gekocht vertelde hij direct weer dat hij beide machinisten heeft gekend.’
‘Ik wil het boek bij u bestellen voor mijn schoonvader, hij zat in de trein toen het ongeluk gebeurde. Hij is niet gewond geraakt destijds, maar de ramp draagt hij nog altijd met zich mee.’
‘Een van mijn vrienden kwam destijds daarbij om het leven. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Ikzelf had bij toeval, tegen mijn gewoonte in, de trein vanuit Utrecht de avond ervoor genomen.... Vind het geweldig dat u daar een boek over hebt doen uitkomen. Mijn respect voor het monument dat U persoonlijk hiermee als het ware hebt neergezet.’
‘Indertijd was ik elf jaar maar ik kan me de verjaardag van mijn oma van moeders kant (in Schalkwijk, nabij Houten) op 10 januari 1962 nog goed herinneren dat de treinramp het gesprek van de (verjaar)dag was. Dat was niet zo vreemd want een aanzienlijk deel van de visite kwam uit Harmelen of uit de directe omgeving.
Bovendien: mijn moeder is geboren in Harmelen, mijn vader was in de oorlog 2,5 jaar ondergedoken in Harmelen en al vóór de oorlog werkte mijn opa (van vaderskant) in het seinhuis dat indertijd bij de spoorwegovergang stond, waar even voorbij de ramp gebeurde. Het seinhuis is al vele jaren weg, net als het café De Putkop. In de jaren na 1962 kwam ik om familieredenen regelmatig in of door Harmelen en altijd zeiden we weer tegen elkaar: ‘daar gebeurde het’. Ik kom er nu nog nauwelijks maal àls ik er langs kom, kijk ik nog altijd en zeg of denk: ‘ja, dààr gebeurde het’. Succes met uw boek en wellicht leidt het tot een beoogd resultaat: een monument met namen.’
‘ Mijn man (inmiddels overleden) begon zijn 1e werkuren bij de politie op 8 januari 1962. Hij zou om 10.30 uur worden beëdigd. Rond 08.00 uur ging hij met zijn chef een kenningsmakingsronde doen en kreeg rond 09.25 uur opdracht om naar de rampplek te gaan. Er zou een botsing zijn geweest. ‘Ga eens kijken wat er aan de hand is’. Volgens mijn man kwam het geschreeuw om hulp en het gehuil je bij aankomst op de plek tegemoet.’
‘Van mijn zus Agnes Bruinsma uw boek over de “Harmelen” treinramp onder ogen gekregen en in een adem uitgelezen! ‘n Zeer ingrijpend verhaal, hoe jullie gezin daarmee omgegaan is! Kapelaan Schlatmann, die de uitvaart van jullie vader heeft begeleid, is degene geweest die ons huwelijk heeft gesloten op 9 juni 1962 in de kerk v/h H.Hart, Hoekersingel, Rotterdam. Mijn broer Paul heeft meegezongen tijdens de uitvaart van jullie vader o.l.v. Wim Odijk. Mijn moeder heeft ook jaren gezongen op dit koor en op orgel en/of piano de missen begeleid.
Vader Bruinsma staat op de foto blz. 92. Ons gezin woonde Deensestraat 93c, dus het emotiële gebeuren van de dood van Piet Fictoor heeft in onze wijk Oud-Mathenesse een grote impact gehad.’
‘Heel veel dank voor het toesturen van je boek. Meteen ‘s avonds heb ik bijna alles gelezen. Wat een mooie nagedachtenis aan je vader, je familie en alle slachtoffers. Knap dat je veel vermeldt, maar toch niet teveel uitwijdt. Het heeft me erg geraakt. Ook de geschiedenis van je familie en gezin. Je moeder herkende ik heel goed op de foto en Bertie natuurlijk. Wat fantastisch dat je moeder en jijzelf zo kunstzinnig zijn en dat je moeder naar de academie is gegaan. Wat een talent, ik genoot van de foto’s van haar kunstwerken, ongelooflijk. Afgelopen zondag sprak ik m’n broer Paul en Michel. Zij hebben de uitvaart gezongen voor jullie vader. Paul is na mijnheer Odijk (overleden in 1975) dirigent geworden. Michel en m’n moeder speelden vaak orgel / piano.’
‘De ramp bij Harmelen kan ik mij nog herinneren als de dag van gisteren. Ik was een jongetje van 15 jaar toen dat bericht op de radio kwam, dat heeft toen een geweldige indruk op mij gemaakt. En nu kan ik deze indruk een plaatsje geven door dit boek, het is alleen jammer dat de omstandigheden van U persoonlijk, het mogelijk hebben gemaakt om dit boek uit te geven.’
‘Op kerstavond waren we in de kerk bij onze goede vriend Jan Schlatmann, inmiddels emeritus pastoor, toen kapelaan. Wij hebben hem het boekje over uw vader en de ramp gegeven. Hij woont inmiddels, 77 jaar oud, in Voorhout. Gisteravond sprak hij in op het antwoordapparaat, Er kwamen veel herinneringen bij hem terug, zoals hij zei.’
‘Beste Hans, zo zal ik je maar blijven noemen, na het lezen van je terugblik op Harmelen en alles wat dit voor jullie heeft meegebracht. Ik kreeg je boek gisteren (25 december 2008) van een vriend uit Moskou! “Jij komt er in voor..”zei hij. En inderdaad, ik herinner me alles als de dag van gisteren. Hoe ik een telefoon kreeg van de NS, dat er een taxi met een maatschappelijk werkster zou komen om me naar je moeder te brengen. Pastoor van Vugt was nl. Niet thuis. Hij en kapelaan Straathof zijn overleden en ik ben inmiddels 78 jaar. Maar er stond in jouw verhaal heel veel, waar je, zeker met de ogen van nu, op z’n minst heel onbegrijpend tegenover kan staan. Zoveel bureaucratie, zo weinig echt meevoelen zeker van de autoriteiten’. Dat je moeder er ondanks dat alles toch nog redelijk bovenop gekrabbeld is, en haar creativiteit heeft kunnen hervinden, is enorm te bewonderen, en moet jullie achteraf toch iets van dankbaarheid gegeven hebben.
Jouw eigen gezin heeft trouwens ook weer de nodige lasten te verwerken gekregen. Ik kan dat een beetje meevoelen, omdat ik na Rotterdam enkele jaren gewerkt heb in een instituut voor gehandicapte kinderen, en daar met hun ouders heb gesproken. Ik denk dat deze ervaring zeker heeft meegespeeld in het op schrift stellen van je persoonlijke herinneringen. Ik hoop dat de afronding daarvan je toch enige voldoening geeft.
Misschien dat het je daarom ook goed doet te horen, dat je verhaal door andere getuigen wordt meegedragen. Misschien dat je dit t.z.t. Ook aan Lonny en Bertie wilt overbrengen. Jou en je gezin ben ik dankbaar’
‘In een der lokale kranten, die in de regio Harmelen/Woerden huis aan huis worden verspreid, las ik recent een kort berichtje over uw boek aangaande de treinramp bij de Putkop te Harmelen in januari 1962 ter nagedachtenis aan uw vader die als “meester” bij de ramp is omgekomen. Zelf was ik op dat moment, nog geen 19 jaar oud, nog woonachtig bij mijn ouders te Vleuten. Mijn vader was aldaar destijds huisarts en omdat zijn praktijkgebied zich ook uitstrekte over Harmelen, was hij direct betrokken bij de eerste medische hulpverlening. We hoorden als kind dan ook de afschuwelijke tafrelen die mijn vader op de ramplokatie aantrof uit de eerste hand en dat heeft diepe indruk op ons gemaakt die mij nog altijd als de dag van vandaag bijstaat.’
‘Ik heb het boek ontvangen en, met soms een brok in de keel gelezen. Je hebt hiermee een waardig monument geplaatst voor je vader en de andere slachtoffers van de ramp. Mooi ook dat je voor de omslag een werk van je moeder gekozen hebt. Goed gedaan, je ouders zouden trots op je zijn!’
‘De heer O, toen 23 jaar kreeg van zijn baas ‘Verenigde Utrechtse IJzerhandel’ (sloopbedrijf) opdracht om te helpen met opruimen van de ravage. Met snijbranders heb ik de wrakstukken uit elkaar gehaald. Daarbij kwam ik regelmatig allerlei lichaamsdelen tegen. Ik heb geholpen om de machinist uit de trein te halen die ondersteboven lag. Ik weet me alleen te herinneren dat de man ondersteboven hing en zwart haar had. Een dode vrouw die in verwachting was en die haar kindje was verloren. Verschrikkelijke beelden waar ik de eerste drie jaar mee moest leven en die ook nu nog af en toe naar boven komen. Dat neem je je hele verdere leven met je mee.’
‘Indrukwekkend verslag, deerniswekkend. Alhoewel in mijn privéleven mij weinig bespaard is gebleven, is datgene wat uw moeder en u en uw zusters hebben meegemaakt te triest voor woorden omdat het een plotselinge gebeurtenis betreft.’
‘Ik ben een van de overlevenden van de door jou beschreven ramp. Na een burn out een jaar of zes geleden werd ik door mijn psycholoog aangespoord mijn ervaringen van 1962 eens op papier te zetten.’
(Ik kreeg het hele stuk toegezonden, maar is te lang om het in zijn geheel te plaatsen. Ik zal de belangrijkste delen hier vermelden. Hans Fictoor)
‘Om 9.05 uur vertrekt de trein weer uit Utrecht, maar nu natuurlijk naar de andere kant zodat ik achteruit rij en ik sukkel een beetje in slaap. Na een minuut of tien schrik ik wakker van een hels kabaal en veel heen en weer geschut, ik heb het gevoel dat de trein niet meer over de rails rijd maar over de bielsen, ook remt de trein verschrikkelijk snel af waardoor de mensen die vooruit reden van de banken vielen. Dit alles duurde natuurlijk maar een paar seconden maar achteraf leek het wel minuten te hebben geduurd. Dit soort dingen blijf je je leven lang bij en zit verankert in je eigen harde schijf zolang je leeft. Toen alles na veel kabaal stillag bleek dat ons rijtuig omhoog geschoven was boven de bovenleiding uit, er zat in het rijtuig ook een behoorlijke knik. De eerste minuten was er buiten niet veel te zien door de mist en roestwolken. Nadat de roestwolken wat neergedaald waren bleek dat wij bovenop de puinhoop lagen en vlak voor ons raam lag een verwrongen draaistel met daar tussenin zeker drie lichamen of wat daar nog van over was. Wat me opviel was dat op 1 mevrouw na, iedereen vrij kalm was in ons rijtuig, echte zwaar gewonden waren er bij ons ook niet. Eenmaal buiten kregen we pas echt in de gaten wat voor een verschrikkelijke ramp zich er had voltrokken. Volgens mij was ieder die redeloijk ongedeerd was in shock, bijna niemand huilde en keek alleen maar met grote ogen naar een wat surrealistische aanblik van verwrongen staal met nog veel dode en gewonde mensen erin.
Ik herinner me nog sterk dat uit een van de rijtuigen die net als de onze schuin naar boven was geschoven, aan de onderkant een lichaam uithing, op z’n kop, bijna naakt, dood maar zo te zien niet erg verminkt. Twee jaar later heb ik gesolliciteerd bij de N.S. Jawel als machinist. Ik ben op 21 september 1964 begonnen aan de opleiding en daarna heb ik met veel plezier ondanks natuurlijk ook wel erge voorvallen (8 zelfdodingen en 2 andere aanrijdingen) bijna 40 jaar volgemaakt bij N.S. De laatste jaren voor mijn pensioen reed ik ook naar Rotterdam. Als ik dan langs Harmelen ging dacht ik natuurlijk wel even aan de ramp.
Het restaurant waar ik toen heb getelefoneerd en een paar borrels heb gedronken heet de Putkop. Of dezelfde eigenaar er nog zit weet ik niet, maar als ik er in de buurt kom moet ik toch m’n rekening een voldoen. Heb ik toen schandelijk vergeten.’
‘Mijn vader Pieter Doornenbal’ was als een van de conducteurs bij de ramp betrokken. Hij heeft het gelukkig wel overleefd. Een aantal jaren geleden is er door een nabestaande via het radioprogramma ‘Adres onbekend’ een oproep gedaan om mijn vader te vinden. Mijn vader had namelijk de vrouw en de dochter als laatste nog levend in zijn armen gedragen. Daarna zijn zij helaas aan hun verwondingen overleden. De zoektocht kwam te laat omdat mijn vader inmiddels (al 15 jaar) overleden was.’
‘Mijn (schoon)vader Piet Verheijden was conducteur van de trein uit Rotterdam. Het kan haast niet anders of jouw vader en mijn (schoon)vader moeten elkaar in ieder geval vlak daarvoor hebben ontmoet. Veel heeft hij nooit verteld. De stilte en daarna het hulpgeroep “conducteur....help me” en het moment dat ze net terug kwamen van koffiedrinken voordat ze weer in Utrecht aan de bak moesten, heeft hij wel verteld.’
‘Al een tijdje geleden heb ik uw boek in één adem uitgelezen. Erg bijzonder om een verhaal te lezen, waarvan ik veel dacht te weten, maar achteraf bezien veel juist nog niet. Vooral hoe de familie (en natuurlijk in het bijzonder mijn moeder en haar broer/zus en haar moeder) dit hebben moeten beleven was erg indrukwekkend; lezend uit een boek, me voortdurend realiserend dat het niet “een” verhaal is, maar een deel van mijn moeders leven. Een bijzonder boek in mijn boekenkast.’
‘Heb je boek in goede orde ontvangen en in een adem uitgelezen. Heel indrukwekkend en een mooi document ter nagedachtenis aan je vader, mijn complimenten. Zoals je in het genealogieboek kunt zien, is mijn opa Fictoor ook bij een treinongeluk om het leven gekomen. Weliswaar was hij het enige slachtoffer (Haarlem), maar toch is dat ook voor zijn gezin moeilijk geweest. Hierdoor spreekt jouw boek mij extra aan. Mijn vader praat er niet echt over. Ik denk dat wat jij doet met dit boek een fantastische verwerking kan zijn, niet alleen voor jou, maar voor alle betrokkenen. Prachtig dat je dit geschreven hebt.’
‘Ik heb het boek ontvangen en in een zin uitgelezen. Ik vond het een emotioneel en moedig boek.’
‘Met veel belangstelling heb ik de uitzending van “Hart van Nederland” bekeken waarin u terug kijkt naar de dag van deze verschrikkelijke treinramp bij Harmelen. U hebt volkomen gelijk als u opmerkt dat deze ramp tot op de dag van vandaag veel te weinig bekendheid heeft en dat ver nergens een plek of monument te vinden is ter nagedachtenis aan deze ramp. De slachtoffers en nabestaanden worden daardoor ernstig tekort gedaan. Deze ramp heeft destijds ook op mij diepe indruk gemaakt en komt daarom regelmatig in mijn herinnering terug, vooral op de verjaardag van mijn broer. Op de dag van de ramp werd mijn broer 13 jaar (ik was 10 jaar) en kreeg ter viering van zijn verjaardag bezoek van o.a. Een tante uit Rotterdam. Zij kwam die dag heel veel later dan verwacht bij ons aan en was hevig geëmotioneerd omdat zij tijdens haar reis naar ons in Amsterdam vernomen had wat er met de trein, waarin zij had moeten zitten, gebeurd was. Door wat oponthoud had zij de ramptrein net gemist en vertelde ons hevig ontdaan dat zij nog door het station had gehold om de trein te halen maar dat zij, aangekomen op het perron, de trein net weg zag rijden. Onderweg vernam zij wat er had plaatsgevonden en is daardoor met een omweg en vertraging uiteindelijk bij ons aangekomen. Bij ons thuis kwam bij haar het besef en de emotie over wat er was gebeurd en waar zij aan was ontsnapt, dat heeft bij mijn broer en mij diepe indruk gemaakt. Bij elk nieuws over een treinbotsing komen bij mijn broer en mij altijd weer even de herinnering boven van die bewuste rampdag van die 8e januari. Uw boekje is voor mij een zeer belangrijk document ter aanvulling op mijn herinneringen aan die verschrikkelijke rampdag. In korte tijd na de uitzending op TV heb ik als eerste met mijn broer en later met diverse andere mensen uit mijn omgeving over de treinramp gesproken, uiteraard met leeftijdgenoten, jongere mensen weten echter niets van de ramp. Daar ik zeker niet direct bij de treinramp betrokken ben, heeft de treinramp, door hetgeen wat mijn tante destijds overkwam, bij mijn broer en mij diepe indruk achtergelaten. Ik hoop van harte dat de aandacht in de media en uw boekje een aanzet zullen geven tot het realiseren van een verdiende gedenkplaats voor de vele slachtoffers en nabestaanden van de treinramp en begrijp maar al te goed wat het voor u als zoon van een van de omgekomen machinisten betekend.
Ik hoop met mijn reactie aan u een teken te geven dat de treinramp van 1962 zeker niet vergeten is.’
‘Als de bedoeling (een monument in Harmelen te plaatsen) werkelijkheid mag gaan worden op 8 januari 2012 dan is er een grote mijlpaal bereikt. Het heeft dan wel veel te lang geduurd, maar beter laat dan nooit. Uw inzet voor gerechtigheid, ondersteund door uw indrukwekkende boek, heeft daar in hoge mate aan bijgedragen.’
‘Uw boek zal zeker een blijvende herinnering worden in de Geschiedenis van de Nederlandse Spoorwegen en de Vaderlandse Geschiedenis. In mijn ogen heeft u hiermee een bijzonder belangrijke bijdrage geleverd voor de komende generaties, zodat deze verschrikkelijke spoorwegramp nooit vergeten zal worden. Alle waardering en grote bewondering daarvoor! Het houdt de herinnering hieraan levend!’
‘Zoals u aangeeft is het vreemd dat er tot op de dag van vandaag nog geen monument is ter nagedachtenis van de slachtoffers die bij deze ram het leven lieten. Ik hoop van harte dat dit binnen afzienbare tijd alsnog gaar gebeuren. Bij deze ramp is mijn oom W. Oostveen om het leven gekomen. Hij was op dat moment onderweg naar Rotterdam om zijn monsterboekje op te halen op een passagiersschip van de HAL. Hij was toen in dienst als purser. Hij was van plan zijn zoontje (toen 3 jaar oud) mee te nemen die bewuste dag, maar hij zag hier van af omdat hij wat laat van huis was vertrokken naar station Hilversum. Op station Utrecht trof hij zijn collega die ook werkzaam was bij de HAL. Zijn collega besloot om op station Utrecht nog een kop koffie te gaan halen en nam daardoor een trein later.
Ik ben zelf machinist bij de NS en rij regelmatig lang de rampplek van 1962 en denk dan altijd aan de mensen die toen het leven lieten op die bewuste dag van 8 januari 1962. Ik hoop dat mede door het schrijven van dit boek u deze ramp een plek kunt geven.’
‘Ik ben de zoon van W.T. De Groot en was in die tijd 9 jaar. Mijn ouders waren in die tijd al 6 jaar gescheiden, dus ik heb jammer genoeg nooit de tijd en gelegenheid gehad om mijn vader goed te leren kennen. Ben wel altijd heel nieuwsgierig geweest naar de gebeurtenissen rond de treinramp en ben ook erg blij dat u het boek heeft geschreven.’
‘Het lijkt inderdaad een “vergeten” ramp te worden en dat mag echt niet. Bovendien werd voor mij nu pas echt duidelijk hoe het allemaal gebeurd is. Er werd toen alleen maar omheen gepraat! De impact op jullie gezin heb ik natuurlijk van heel dichtbij meegemaakt. Zelf hoorde ik het tussen de middag op de radio en zei tegen mijn moeder dat Bertie’s vader moest werken. Ik durfde haar dan ook bijna niet op te halen. Bij school werd er natuurlijk over gepraat. En ik weet nog dat ik mijn nicht een trap tegen haar scheenbeen gaf, toen ze zei dat allebei de machinisten dood waren. Toen Bertie uit de klas werd gehaald en onze onderwijzeres zei dat het misschien wel meeviel, riep ik dus hard, dat dat niet kon, omdat haar vader machinist was.
Bertie brak in dat schooljaar ook nog haar been en ook daardoor was ik met huiswerk vaak bij jullie thuis. Ik heb echt alle bewondering gehad voor je moeder in die tijd. Zelf was ik het jaar ervoor mijn broer door ziekte kwijt geraakt en wist dus ook van verdriet - zeker ook van mijn ouders. Ik ben blij met je boekje en ga het aan zoveel mogelijk mensen laten lezen, opdat deze ramp en de gevolgen voor de mensen die achterbleven, niet vergeten wordt!’
‘Op een andere manier hebben wij de ramp altijd met ons meegedragen. Mijn vader was toen der tijd commandant op de ongevallenwagen van de NS. Hij werd ‘s morgens na de ramp opgeroepen en is een paar dagen op de plaats van het ongeval geweest. Hij heeft samen met collega’s veel slachtoffers uit de wrakstukken gehaald, waaronder beide machinisten. Ik was toen een meisje van 11 jaar, maar weet nog hoe mijn vader thuiskwam. Hij was weken niet aanspreekbaar vanwege alle vreselijke dingen die hij daar had gezien.
Ongeveer een week na de ramp is mijn vader op audiëntie geweest bij Koningin Juliana. Zij heeft veel tijd genomen om te praten en er veel aandacht aan besteed op dat moment.
Mijn vader is nu 86 jaar en ik weet dat deze treinramp enorm veel indruk heeft achtergelaten. Ikzelf vond het altijd vreemd, als mensen helemaal niet wisten dat dit gebeurd was. Het moet voor u en uw familie een schok zijn geweest wat het leven totaal heeft veranderd.’




